Kerk

Waar mensen samenwerken is er altijd sprake van communicatie. Maar hoe snel wordt goede communicatie verstoord. Want: Is wat gezegd is ook gehoord? Is wat gehoord is ook begrepen? En is wat begrepen is ook akkoord? En is wat akkoord was ook uitgevoerd?

Ook binnen kerken komen conflicten voor. Als christen spreek ik dezelfde taal als degenen die in een kerkelijk conflict terecht zijn gekomen. Ik ben beschikbaar om te bemiddelen maar ook om een mediation-traject te faciliteren.

Als mediator zal ik ten allen tijde onpartijdig zijn. Vanuit mijn eigen kerkelijke betrokkenheid kan die onpartijdigheid in het gedrang komen – al is het maar in de ogen van één van de partijen. Daarom ben ik behalve als mediator (met daaraan verbonden gedrags- en tuchtrecht) ook beschikbaar als bemiddelaar.

In het kerkelijk leven bestaat er de mogelijkheid om een kerkelijke rechtsgang te volgen: dan wordt een beroep gedaan (appel) op een meerdere vergadering. Die wordt gevraagd om te oordelen over een eerder genomen besluit. Zo’n kerkelijke rechtsgang is een legitieme zaak, maar het is de vraag of er niet een bruikbaar alternatief is: dat van bemiddeling of mediation. De Bijbel geeft daar richtlijnen voor:

Bijvoorbeeld:

  1. Handelingen 7: Stefanus verhaalt van de geschiedenis van het volk Israël:

Mozes drong hen tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk ?

  • 1 Korinthe 6: Paulus schrijft daar:

1 DURFT iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?
2 Weet gij niet dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtszaken?
3 Weet gij niet dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken die dit leven aangaan!
4 Zo gij dan gerechtszaken hebt die dit leven aangaan, zet die daarover die in de gemeente minst geacht zijn.
5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzo onder u geen die wijs is, ook niet een die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders?
6 Maar de ene broeder gaat met den anderen broeder te rechte, en dat voor ongelovigen.
7 Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtszaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?
8 Maar gijlieden doet ongelijk en doet schade, en dat den broederen.
9 Of weet gij niet dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?

  • Matt. 5: 21-26: Jezus spreekt daar:

21 Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.

22 Doch Ik zeg u: Zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den Groten Raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.

23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft,

24 Laat daar uw gave voor het altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder, en kom dan en offer uw gave.

25 Wees haastig welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

26 Voorwaar Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.

Kanttekening bij vers 25 ‘welgezind’: Dat is, kom overeen of verenig u met degene die u over schuld of anderszins voor het gerecht roept.

  • Jacobus 5: 16: Jacobus draagt op:

Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt.

Kanttekening bij ‘Belijden’ luidt:

De apostel wil hiermee niet leren dat de gelovigen al hun zonden zouden moeten openbaren en belijden aan een kerkendienaar, om van hem ontslag of vergeving te verkrijgen, gelijk ten onrechte gemeend wordt. Want hij spreekt hier uitdrukkelijk van een belijdenis die men elkander moet doen, dat is, de ene gelovige aan de andere, en dat ook onderling, naar gelegenheid der zaken. Door de zonden worden verstaan:

  • eerst die zonden die de ene gelovige tegen de andere zou mogen gedaan hebben, waardoor de liefde tot de naaste verbroken en onvrede zou mogen ontstaan zijn; waarvan de apostel wil dat degene die tegen zijn naaste misdaan heeft, zijn schuld zal belijden of bekennen, en met hem daarover verzoenen, gelijk ook Christus leert in Matth. 5:23, hetwelk gelijk het te allen tijde wel behoort te geschieden, zo is het inzonderheid nodig als men ziek is.
  • Verder, zo iemand in enige zonde zou mogen gevallen zijn, waarover hij zo bezwaard is dat hij zichzelf alleen niet kan troosten, dat hij dan die zonde openbare aan een ander, hetzij kerkendienaar, of enige andere goede vriend, om van hem getroost te worden uit Gods Woord, en om hem te helpen bidden dat die zonde hem van God mag vergeven worden.

5. Filippenzen 4: 2 en 3: Paulus schrijft daar:

2 Ik vermaan Euódia en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in den Heere.
3 En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, zijt dezen vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens en de andere mijn medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens.

De kanttekeningen (enigszins bewerkt):
Deze twee vrouwen waren lidmaten van de gemeente der Filippenzen en hadden veel goeds gedaan tot bevordering van het Evangelie, maar onder haar was enig misverstand en twist gerezen, die de gemeente ergerlijk en schadelijk was.
Paulus kiest geen partij maar beveelt hen eensgezind te zijn niet alleen aangaande de leer, maar ook aangaande de toegenegenheid des gemoeds.
De ambtsdrager in Filippi (metgezel genoemd) wordt gevraagd, ja, zelf gebeden om deze vrouwen behulpzaam te zijn en hen weer tot enigheid te brengen.
Het strijden in het Evangelie moet verstaan worden, niet dat zij het Evangelie met Paulus openlijk gepredikt hebben, want dat verbiedt de apostel de vrouwen, maar dat zij in het bijzonder, om de belijdenis van de leer des Evangelies, veel tegenspoed en verdrukkingen standvastig hebben doorstaan. De apostel gebruikt hier een gelijkenis genomen van degenen die om prijs streden.